Beschouwing voor de nieuwe school

Door: Mario Hooijmans.

“Onlangs werden er vijf vragen over de toekomstige vormgeving van een nieuwe school aan docenten van het Jeroen Bosch College voorgelegd.[1] Binnen enkele jaren zal de school namelijk gaan fuseren met het Rodenborch College. Omdat deze vragen nogal wat behelzen, voelde ik mij genoodzaakt er een wat langere filosofische beschouwing aan te wijden. Dat heeft alles maken met het vak dat ik op het JBC doceer: levensbeschouwing. Voor deze beschouwing heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de inzichten van de Duitse socioloog Hartmut Rosa, onlangs in het Nederlands uitgegeven in de vertaling ‘Leven in tijden van versnelling’[2]. De onderhavige tekst kan worden gezien als een poging een filosofische discussie te starten, maar ook concrete ideeën aan te dragen over wat de schoolvisie van de nieuwe school zou kunnen zijn.”

De leerlingen voorbereiden? Ja, waarop eigenlijk?
De vraag in hoeverre het onderwijs van het JBC leerlingen op de wereld ná de school voorbereidt is een grote vraag die zoveel omvat dat hier slechts een mogelijke richting voor een antwoord kan worden geformuleerd. Dat heeft ermee te maken dat we de leerlingen niet alleen voorbereiden op vervolgstudies en het werkende leven, maar we proberen ook iets van menswaardigheid voor te leven en over te dragen. Kijkend naar de huidige ontwikkelingen in de wereld is dit geen eenvoudige opdracht. Om redenen van beknoptheid laat ik de religieuze en culturele conflicten en hoe deze zich ook binnen het onderwijs manifesteren buiten beschouwing.[3] Ik richt me hier op wat Hartmut Rosa identificeert als ‘versnellende veranderingen’ in moderne samenlevingen die diep ingrijpen in het menselijke ‘zelfverstaan’ (identiteit) en onze omgang met de wereld. In deze versnellende veranderingen onderscheidt Rosa drie met elkaar verweven processen die, zo laat onderzoek zien, een steeds grotere invloed uitoefenen op onze beleving van de wereld en onszelf – processen die zich ook in de school en ons onderwijs manifesteren. Het is naar mijn idee daarom van belang om hier als school over na te denken: over welk mensbeeld het meest vruchtbare is (heeft de mens bijvoorbeeld een vrije wil, of is hij volledig onderworpen aan natuurwetten, of andere (technologische) wetten?); over hoe om te gaan met bepaalde ‘dwingende’ maatschappelijke ontwikkelingen?; over hoe een (school)gemeenschap te zijn waar gelijktijdig jonge mensen kunnen floreren, kunnen ontwaken tot authenticiteit? En hoe dit alles concreet vorm te geven, te verankeren in de dagelijkse praktijk?

In antwoord op de oproep ‘groot te denken’: omdat dat wat Rosa aandraagt op dit moment wellicht het meest omvattende, allesdoordringende fenomeen is dat ons tot in de vezels raakt, wil ik dit hieronder verder uitwerken, en waar mogelijk laten zien op welke wijze dit de dynamiek van de school beïnvloed. Daarop volgend zal ik wat losse ideeën aandragen die ik gezamenlijk onder het begrip duurzaamheid als een noodzakelijke ‘tegenkracht’ zou willen typeren.[4]

‘Versnellende veranderingen’ in de moderne samenleving
Als eerste is er sprake van een technische versnelling. Er is op dit moment, en met de komst van social media en internet heeft dit zich geïntensiveerd, een internationale toename van de snelheid van doelgerichte transport-, communicatie- en productieprocessen. Deze technische versnelling dicteert een ‘ruimte-tijdregime’. Daarmee wordt bedoeld, dat vanuit de technische snelheid die mogelijk is geworden, die zich ook voortdurend verder ontwikkelt, een dwingende macht uitgaat die (steeds meer) onze handelingsvrijheid stuurt, en onze (totaal)ervaringen omvormt tot tijdelijke, door technologie afgebakende belevenissen.[5] Een tweede gevolg is dat de oorspronkelijke oriëntatie van de mens op de ‘wereld’ (inmiddels in elk geval deels) naar de virtuele ruimte wordt verplaatst. Deze transitie naar een virtuele wereld, waar steeds meer van onze handelingen en transacties plaatsvinden, brengen een verschuiving teweeg in het ‘zelfverstaan’ van de mens, en hoe dit zelfverstaan zich verhoudt ten opzichte van de perceptie van de fysieksociale wereld. Rosa maakt dit duidelijk door het verschil te beschrijven tussen het maken van een reis, die een totaal andere tijdservaring oproept, en een ‘televisie-ervaring’, wat ook van toepassing is op andere ‘beeldschermervaringen’ als computers en smartphones: bij een reis worden alle zintuigen aangesproken die in elk opzicht een lichamelijke totaalervaring vormen. De ‘beeldschermervaring’ is daarentegen als het ware ‘ontzinnelijkt’. Dit zie je ook bij leerlingen (maar ook volwassenen) als zij bijvoorbeeld met een smartphone bezig zijn: ‘We bewegen ons hoofd nauwelijks, zijn gefixeerd op een zeer beperkte beelduitsnede en hebben geen zintuiglijke waarneming via onze huid of onze neus.’[6] Bovendien is de informatie, de verhalen die we op het beeldscherm zien vaak ten opzichte van ons eigen leven ‘gedecontextualiseerd’: het houdt geen enkel verband met wie of wat we zijn, met onze gevoelens of met de rest van ons leven.[7] Wat Rosa hier opwerpt zijn fundamentele vragen die ook voor het onderwijs moeten worden beantwoord. Eens temeer omdat we naar mijn idee soms door een techno-optimisme verblind worden, ook omdat we, naast nog andere redenen, in de utopie van ‘samen één’ geloven.[8] Behalve dat er inmiddels steeds meer onderzoeken komen die de zorgelijke psychologische en pathologische effecten van deze technische ontwikkelingen beschrijven, komen we hiermee ook in de discussie van het transhumanisme. Een ideologisch geladen filosofie die, ondanks alle ethische vragen die er door worden opgeroepen, met alle onlangs onthulde feiten over ‘verborgen’ krachten achter het internet en social media een nog problematischer karakter krijgt.[9]

Hoe moeten we ons als school verhouden ten opzichte van deze ontwikkelingen, en wat betekent dan dat het onderwijs ‘moet’ veranderen? Want is er überhaupt vrijheid om een radicale visie te ontwikkelen (durf groot te denken?). Of worden we, (en laten we dat gebeuren) zoals Rosa beweert, steeds meer onderworpen aan een totalitaire heerschappij van de maatschappelijke versnelling waar niet meer aan te ontkomen is? Hoe antwoorden we daarop? Dat dit geen holle retoriek is blijkt uit het feit dat de dynamiek van de toenemende versnelling allesdoordringend en allesomvattend is, dat deze druk uitoefent op de wil en de handelingen van subjecten die er niet aan kunnen ontkomen, en die er ook geen kritiek op kunnen leveren.[10] Hoe kunnen we ons als school hiertoe verhouden? Durven we het aan vergaande veranderingen door te voeren?[11]

Het tweede proces dat met de technische versnelling samenhangt is de maatschappelijke versnelling. Allerlei vormen van gemeenschappen, modes en levensstijlen, mentaliteiten en waarden veranderen steeds sneller. Een van de gevolgen hiervan, (ook relevant voor het onderwijs) is dat de betrouwbaarheid van ervaringen en kennis ook in toenemende mate sneller vervalt. We zien dat terug in de toegenomen veelheid en snelheid van allerlei ‘voorbijgaande’ berichten, maar ook in het snelle zoeken op wikipedia, de makkelijke, toegankelijke kennisbron die kritisch verder zoeken en denken overbodig maakt. Het veel te grote informatieaanbod is volgens Rosa zelfs een belangrijke oorzaak van een gevoel van vervreemding dat al sinds Marx de moderne wereld typeert.[12] En terwijl onze potentiële vaardigheden, opties en mogelijkheden alleen maar groter lijken te worden, nemen de werkelijke, gerealiseerde vaardigheden verhoudingsgewijs af, ons gefrustreerd achterlatend zonder werkelijk inzicht in wat nog werkelijk belangrijk of authentiek is.[13] Wat is dus kennis? Wat moeten de leerlingen eigenlijk ‘weten’ over de wereld waar zij straks in belanden? Daar komt bij met het onder druk staan van gemeenschappelijk gedeelde (morele) referentiekaders dat individuen (leerlingen) steeds meer op zichzelf worden teruggeworpen. Mede door het verval van de betrouwbaarheid van de (gedeelde) kennis lijken we daardoor steeds meer te verglijden in een ‘meningencultuur’ waarin ondoordachte standpunten worden ingenomen die niet bijdragen aan een in gemeenschap gevonden inzicht.[14] Waar individualisering wordt gedicteerd door technische en maatschappelijke versnelling moeten we ons de vraag stellen hoe we, dus gezamenlijk, leerlingen kunnen begeleiden om werkelijk een authentiek mens te worden. Als school zouden we daarom een balans moeten creëren tussen de individuele vrijheid jezelf te kunnen ontplooien, maar die gedragen wordt door een culturele gemeenschap (de school) die gebaseerd is op een gezamenlijk gedeelde visie die verantwoordelijkheid en wederkerigheid vraagt. De gemeenschap schept zogezegd de voorwaarden, de kaders voor de individuele ontplooiing van de leerlingen. Dit als tegenhanger van een te eenzijdige focus op de toenemende subjectivering van de individualisering. Deze ideeën moeten uiteraard nog verder ontwikkeld worden.

Het derde proces, tot slot, dat samenhangt met de technische en maatschappelijke versnelling is de versnelling van het levenstempo; het ‘meer doen in minder tijd’, het toenemende gebrek aan tijd. Dit staat haaks op een ‘natuurlijk rijpingsproces’ van de adolescent.[15] En ook hier schuilt het gevaar van een algehele relativering van kennis, waarom er überhaupt nog iets geweten moet worden als alles zo snel weer verandert. Concluderend wordt mijn zorg wat betreft de ontwikkeling van het onderwijs op kernachtige wijze door Rosa als volgt beschreven: we worden geconfronteerd met ”de blind voort-daverende’ moderne escalatielogica: de inspanningen van nu betekenen niet dat we vanaf morgen minder zwaar zullen hebben; ze maken het voor morgen juist zwaarder en creëren nieuwe problemen’. Het maakt niet uit ‘hoe succesvol we dit jaar persoonlijk en collectief ook geleefd en gewerkt hebben (..), volgend jaar zullen we nog wat sneller, efficiënter, innovatiever en beter moeten worden om onze plaats in de wereld te behouden – en weer een jaar later zal de lat opnieuw hoger liggen…’[16]

Samenvattend denk ik dat het van belang is als school de vraag te stellen in hoeverre het onderwijs zich moet aanpassen aan allerlei ‘dwingende’ maatschappelijke ontwikkelingen, of dat de school juist ook een oase zou moeten kunnen zijn waar een bepaalde mate van ‘bescherming’ vorm kan krijgen die ruimte biedt aan innerlijke ontwikkeling van de leerlingen. Waar zogezegd het geraas van de buitenwereld ook aan voorbij kan gaan, waar rust en ruimte is en ook een ‘ont-moeten’ kan plaatsvinden. Dat hoeft niet te betekenen dat de school niet tegelijkertijd een heel dynamische, en vooral ook een inspirerende en creatieve uitwisseling met de wereld buiten de school moet onderhouden. Maar er moet een balans zijn.

Ideeën
Naast het belang van filosofische bespiegelingen gaat het er natuurlijk ook om hoe dit praktisch uit te werken. Ook hier niet meer dan wat aanzetten, wellicht ook iets voor een denktank. In een zich voortdurend veranderende wereld, is het een uitdaging maar ook van belang om na te denken over fundamentele ‘blijvende’ waarden en hoe deze ook in het bredere beleid van de school vorm gegeven kunnen worden. Er zijn zogezegd zaken die beschermwaardig zijn, die gekoesterd zouden moeten worden. Een centraal begrip daarin kan dan duurzaamheid zijn, in de breedste zin van het woord. Daarbij kan gedacht worden aan alleen gezonde voeding verkopen op school. Leerlingen zelf biologische groenten laten verbouwen. Dan kunnen zij bijv. op bepaalde momenten groenten oogsten en maaltijden voor elkaar en de docenten maken (oogstfeesten). Leerlingen eigenaar maken van het gebouw zodat ze respectvol leren omgaan met onze ‘scheppingen’. Duurzame energie opwekken. (wat architectuur van het gebouw betreft: niet alleen vierkante lokalen; ook andere vormen zoals rond ruimtes, L-vormig) Kortom, een groene, duurzame school.[17] Er zou een ‘ontmoetingskelder’ kunnen zijn voor feesten en activiteiten. Voorts zouden we een ‘eigen’ nieuwe schoolcultuur kunnen creëren met een prominente plaats daarin voor de cultuurvakken (muziekruimtes, stilte-, meditatie-, rituelenruimte); een leerlingenorgaan   om leerlingen mee te laten denken over de vormgeving van de nieuwe school; de leerlingen mee na te laten denken over ‘morele gedragscodes’, bewuste omgang met social media, de school, onderling met elkaar, de omgeving. Dit zal hun natuurlijke nieuwsgierigheid en verwondering levend kunnen houden, omdat ze dan meer scheppend in een groter proces betrokken zijn, waarin tegelijkertijd het individuele groei- en leerproces een plek krijgt.

Inzake het onderwijs dat je kinderen wil gunnen is hierboven al het een en ander gezegd. Een vak als levensbeschouwing, maar ook andere creatieve vakken, zouden een tegenhanger kunnen vormen voor een te eenzijdig rationaliserend en materialistisch wereldbeeld. Dit dominante paradigma komt ook tot uitdrukking in het huidige overheersende onderwijsklimaat dat zich hoofdzakelijk richt op prestaties die kunnen worden ‘gemeten en gewogen’. Het is volgens Rosa, en ik deel die mening, een logisch gevolg van het concurrentiegerichte kapitalistische systeem van de markt.[18] De school zou, zoals gezegd, als een tegenkracht kunnen fungeren die ‘innerlijke ruimte’ schept voor de individuele leerling, die zo zijn authenticiteit kan ontdekken en tot uitdrukking kan leren brengen. Er kan dan bekeken worden of bepaalde leerprocessen op een totaal andere manier inzichtelijk gemaakt kunnen worden; niet zozeer met cijfers, maar bijv. met presentaties, praktische opdrachten, buitenschoolse opdrachten, portfolio’s, reflectieverslagen etc.

Het vak levensbeschouwing kan meerdere functies vervullen. Het kan een vakoverstijgende en integrerende functie vervullen die de verschillende vakken met elkaar verbindt. Elk vak loopt tegen de grenzen van zijn kennis aan: wat hebben de genoemde feiten te betekenen die de leerlingen aangereikt krijgen? Wat leert het ons over de werkelijkheid? Wat hebben de genoemde feiten, kennis voor de leerlingen te betekenen? Tegelijkertijd wordt ook elk vak geconfronteerd met het betekenis geven aan die feiten. Hier komt ook het ethische aspect van kennis bij kijken. Hoe gaan we menswaardig om met de krachten die natuur- en scheikunde aan leerlingen onthullen? Met welke ethische aspecten worden we geconfronteerd als we de samenleving vanuit een economisch perspectief benaderen? De zogenoemde zijnsvragen en ethische vragen kunnen in andere vakken opgeworpen worden om vervolgens bij levensbeschouwing verder te worden gethematiseerd, waarbij ook kan worden ingespeeld op actuele ontwikkelingen en de stand van het wetenschappelijke debat. Het is daarom van belang dat de verschillende vakken van elkaar op de hoogte zijn welke kennis, in welke periode wordt behandeld. Door deze interdisciplinaire uitwisseling (die ook meer praktisch uitgewerkt zou kunnen worden, bijv. in projecten) wordt de gemeenschappelijke basis van kennis verstevigd. Dit om tegenwicht te kunnen bieden aan de ‘veranderingscultus’. Zo worden inmiddels in klas 3 bijv. de modules ‘Identiteit en Technologie’ en ‘Interculturele communicatie’ aangeboden die deze verschillende aspecten bespreken. In 5 vwo worden de ethische aspecten van het economische en transhumanistische mensbeeld behandeld. Andere modules zijn in ontwikkeling. Op het persoonlijke vlak kan het vak levensbeschouwing (en dat is het eigenlijk ook al) een ‘vrijplaats’ zijn waar ervaringen en ideeën worden uitgewisseld; waar leerlingen de ruimte krijgen om nieuwe ideeën te onderzoeken, uit te werken, waar leerlingen leren argumenteren. Kortom, waar leerlingen zichzelf kunnen zijn en zich verder kunnen ontwikkelen.

Slotwoord
Tot slot zou ik willen zeggen dat de kans die we nu krijgen om een nieuwe school te ontwikkelen grondig aangepakt moet worden, om te voorkomen dat dit proces niet door de dwingende veranderingscultus gekaapt wordt. De door vorige schoolleiders gehanteerde slogan ‘elke dag een beetje beter’ was ook al geënt op de escalatielogica van de concurrentiemaatschappij. Daar moeten we wat mij betreft verre van blijven, zodat we in het samenvoegen met het Rodenborch College de authenticiteit niet uit het oog verliezen. Zo kan er ook een diepere rust in de school neerdalen, waar mensen niet gestrest raken waardoor ze wegdrijven van hun oorspronkelijke bevlogenheid. Volgens Rosa hadden we nog tot voor kort, om een collectieve burn-out te vermijden, het idee dat het gewoon nu even hectisch is, (een toestand waarin onze school zich ook al jaren lijkt te bevinden), maar dat dit vast snel weer minder wordt. Als we dit geen ijdele hoop willen laten zijn moeten we grondig te werk gaan. Als het zelfbeschikkingsrecht (autonomie) een van de fundamentele beloften is van de moderne westerse samenleving, er op gericht de mens de bevrijden van autoritaire en traditionele gegevenheden en natuurlijke beperkingen, laten we er dan voor waken om deze verworvenheid niet prijs te geven.


[1]
Emeritus hoogleraar Dolf van den Berg hield een voordracht op het Jeroen Bosch College over vernieuwend onderwijs en daagde ons daarbij uit om ‘groot te denken’.

[2] H. Rosa, Leven in tijden van versnelling. Een pleidooi voor resonantie (2016)

[3] In het vak levensbeschouwing wordt hier aandacht aan besteed en wellicht kunnen we in de toekomst opnieuw interculturele- en interreligieuze bijeenkomsten organiseren, zoals jaren terug op het JBC toen er nog cumi was, mogelijk door subsidie van de overheid in het kader van de integratie. Ook vanwege beknoptheid bespreek is een aantal zaken uitvoeriger in de voetnoten.

[4] Aan het begrip duurzaamheid zou het door Rosa geïntroduceerde begrip resonantie kunnen worden gekoppeld. Het is een diepere verbondenheid met de wereld en mensen om ons heen, die verder gaat dan erkenning en wezenlijk is voor een gezonde verhouding. Het is een niet-instrumentele omgang, en in die zin ook een ont-moeting waar een transformatief effect vanuit gaat. Resonantie kan daarom ook niet worden afgedwongen, en precies daarom is het een antwoord op de vervreemding die kenmerkend is voor de moderne cultuur:de wijze waarin de mens (subject) tegenover de wereld staat zonder innerlijk verbonden te zijn, waarin het zich eigen maken van een deel van de wereld mislukt.

[5] Rosa, p.18 ‘De effecten van de technische versnelling op de maatschappelijke realiteit…(hebben) met name het ‘ruimte-tijdregime’ van de samenleving, dat wil zeggen de waarneming en de indeling van ruimte en tijd in het maatschappelijke leven, volkomen veranderd. De natuurlijke (lees: antropologische) voorrang van de ruimte ten opzichte van de tijd in de menselijke waarneming, (…) lijkt te worden omgekeerd’.

[6] Behalve wat deze verandering met de zelfperceptie van de mens doet, levert het ook allerlei gezondheidsklachten op. Wat tevens bevestigt dat de aantrekkingskracht van de technologie zo groot is dat we het bewustzijn over ons lichaam ‘vergeten’. Inmiddels hebben in Nederland artsen al gewaarschuwd voor toenemende nekklachten, vooral onder jongeren, van het urenlang voorovergebogen staren naar de smartphone, maar ook het achteruit gaan van de ogen.

[7] Rosa, p.107 Natuurlijk geldt dit niet voor alle contacten via social media, zoals met vrienden en familie, die wel verband houden met onze persoonlijke wereld. Maar in veel andere gevallen vormen de vele  voortdurend veranderende beelden geen antwoord op onze innerlijke toestanden en ervaringen. Hierdoor wordt veel van deze informatie ook weer snel vergeten, want niet doordacht, waardoor de waarde niet wordt verwerkt in de eigen wereldbeschouwing. We leven dan ook, volgens Rosa, in een tijd die rijk is aan belevenissen, maar arm aan ervaringen. In dit opzicht kan de school juist voor ervaringen zorgen, door bijv. zoiets als een biologische moestuin aan te leggen, waarin leerlingen de verbinding met de aarde herstellen en ook de gemeenschap; maar ook in allerlei culturele activiteiten waarin intellectuele en fysieke presentie wordt gevraagd. Als school kun je ook anders en bewuster met social media omgaan, wat bijvoorbeeld gebeurt in de lessen Global Awareness. Hier wordt door leerlingen contact gelegd met leerlingen in andere werelddelen. Door het actieve, doelgericht inzetten van social media kunnen zo ervaringen zinvol worden. Het gaat er in alle gevallen natuurlijk om zo bewust mogelijk met onze wereld en wie wij zijn om te gaan.

[8] Hier is niets ten nadele gezegd van de prachtige verworvenheid mondiaal te kunnen communiceren, en alle voordelen dat dit oplevert. Maar zoals aangegeven is het in het belang van het onderwijs om de effecten, dat wat social media  heel direct fysiek, psychologisch en zelfs ontologisch met de mens (leerling) doet, te beheersen en om te buigen.

[9] Denk bijvoorbeeld aan de onthullingen van Edward Snowden, en het debat rondom de massale privacyschending  die plaatsvindt; onthullingen van de onderzoeksjournalisten Martijn en Tokmetzis opgetekend in hun boek ‘Je hebt wel wat te verbergen’. Ook documentaires als Panopticon openen onze ogen voor de complexiteit en urgentie van dit probleem.

[10] Het begrip ‘totalitair’ heeft hier geen betrekking op een politieke dictator of politieke groep, klasse of partij, maar op ‘een abstract principe dat  alle subjecten aan zich onderwerpt….Ze oefent haar druk primair uit op het subject door te zorgen dat dit leeft met de voortdurende angst om op de (…) ‘gladde hellingen’ van het leven niet langer in staat te zijn overeind te blijven en zo zijn plaats te behouden’. Dit illustreert overigens ook waar het probleem van de vrije wil acuut is. Als het al niet de materialistische wereldbeschouwing is die de vrije wil ont-kent, (wellicht niet kan kennen), dan is het de technische versnelling die hard bezig lijkt te zijn elke vrije handeling van de mens definitief uit te roeien. Dit is ook een van mijn grote zorgen. P.64

[11] Dit vraagt om diepgaander onderzoek, en wellicht allerlei gesprekken in een nog nader op te richten denktank.

[12] Zie noot 3

[13] Rosa, p.104 Zoals Rosa aangeeft is er een teveel van alles wat we niet allemaal in ons kunnen opnemen, en voelen we tegelijkertijd een druk om niet achterop te geraken. Zo overheerst in de moderne samenleving de niet uitgesproken als vanzelfsprekend aangenomen opvatting dat je mee ‘moet’ gaan met de veranderingen. Zoals ik hierboven al aangaf is er alle reden om niet zondermeer met alle veranderingen zomaar in te stemmen, en daar heel bewuste keuzes in te maken.

[14] In de lessen levensbeschouwing hebben we hier inmiddels al op geanticipeerd door al in de tweede klas een Handleiding argumentatie in te voeren die de leerlingen door de jaren heen bij allerlei opdrachten en meningsvragen moeten hanteren. In de toekomst willen we dit consequent doorvoeren.

[15] Rosa, p.24 Rosa omschrijft dit als de ‘toename van het aantal handelings- of belevenisepisoden per tijdseenheid’,  die het gevolg zijn van een diep gevoelde behoefte ‘om meer te doen in minder tijd’. Deze diep gevoelde behoefte heeft alles te maken enerzijds met de secularisering van de westerse wereld waarvoor de versnelling ‘een functioneel equivalent is van de (religieuze) belofte van het eeuwige leven‘. Daarnaast is deze behoefte een gevolg van het dominante, concurrentiegerichte kapitalistische systeem van de markt, dat de prestatiedruk bij individuen (leerlingen) opvoert.

[16] Rosa, p.118

[17] Het concept duurzame school zou wellicht al ontwikkeld kunnen worden samen met het Technasium, maar ook een leerlingenorgaan.

[18] Rosa, p.32

Lees hier meer artikelen van Mario Hooijmans

Wil je reageren? Mail dan naar info@voor-mekaar.nl of schrijf in ons Gastenboek.

Voor-Mekaar.nl wordt gehost door KeurigOnline; een eigen website al vanaf € 1,- per maand!